Had ik die dag maar gewoon licht op mn fiets gehad, dan was ik je nooit tegengekomen. Dan hadden jouw ogen me niet gegrepen en tot op de dag van vandaag vastgehouden. Dan was ik nooit van je gaan houden. Toen, die botsing, midden in de nacht in Betondorp. Het heeft mijn levensloop veranderd.
Het is alweer 20 jaar geleden, ik zat nog strak in mn vel en ging dagelijks naar de kraakkroeg in de buurt, waar ik als vrijwilliger werkte en dus meer dronk dan de gemiddelde bezoeker en altijd tot het laatste bleef. Ik fietste naar huis en opeens was jij daar, op je ligfiets, in mooie kleuren geschilderd. Volgens mij waren het de kleuren van de Marokkaanse vlag. Je kwam zo snel op me af, ik riep “kijk uit mafkees” maar het was al te laat, we lagen op de grond, je keek me aan en zei “Ik heet geen Kees, ik ben Badr”. Je raapte onze fietsen op, trok me overeind en gaf me een kus op mn voorhoofd. Je woonde om de hoek en bood me je bank aan, ik was zo lam, vies, koud en mn fiets was stuk dus ik nam het aanbod aan.
We spraken elkaar sindsdien vaak, thuis, in het park en bij de roeiclub. De daadkrachtigheid straalde van je af als je in je marokkano over het water zweefde. De zon weerspiegelde in het zweet dat over je mooie lijf naar beneden rolde. We spraken over het leven, jij liet me inzien hoe zinloos ik bezig was, elke dag drinken om het leven en de verantwoordelijkheden niet onder ogen te komen. Elke dag met een halve kater de nodige dingen doen om dan tegen een uur of vier een joint op te steken en ‘s avonds de kroeg in te duiken. De losbandige seks uit die tijd bracht me niets, net als de drank en de gezelligheid was schijn. Ik ging steeds minder naar de kroeg en vaker naar jou, ik merkte dat mijn angst om alleen te zijn me stuurde. Dat ook de relaties die ik soms had mijn leven geen invulling konden geven.
Ik was een paar jaar jonger dan jij, ik was pas 24 en heel naïef, je leek zo wijs en in balans. Ik voelde dat ik van jou veel kon leren. Je was ook mysterieus door je zwarte kleding en mascara. Ik was voorheen een fan van kleurige kleding en make-up droeg ik niet. Langzaam vervaagde alles. Mijn eigen mening, de kleding die ik droeg, mijn humor. Ik werd heel serieus en las boeken over het vinden van de innerlijke geest.
Je vertelde vaak over het dorp waar je vandaan kwam, de prachtige omgeving, de zuivere lucht, de simpele mensen die zo wijs waren. Het water zou zoet zijn en de temperatuur optimaal. Het zou er niet regenen maar toch groen zijn, het eten vers en gezond. Op een dag zei je dat je er naartoe ging en vroeg me mee. Ik had je niet moeten geloven, bij je belofte over geen regen en toch groen had ik met mn verstand kunnen bedenken dat zo’n land een fabeltje is. Maar je was mijn profeet en ik ging mee.
Na een aantal lange dagen reizen kwamen we per kameel aan in het dorp. Je wilde per sé je ligfiets mee dus we huurden een extra kameel. Het was een wonderlijke plek, je dorp, dat is wel waar. Het dorp lag in een oase omringd door kilometers woestijn.
We kregen vier kinderen. Mijn lieve baby’s. Zij hebben me door die tijd heen gesleept, want ik kon niet meer weg. Vijftien jaar heb ik daar gezeten. Ik had nooit kunnen bedenken dat jij het hele drop massaal zelfmoord wilde laten plegen. Gelukkig kwam mijn familie achter de locatie en zij zijn me komen halen, de kleinste twee kinderen heb ik meegenomen, de oudsten wilden niet. Tot op de dag van vandaag vinden ze me verraders.
Na het boek dat ik schreef over mijn ervaringen ben je opgepakt. Nu zit je een lange straf uit, er zijn veel lichamen gevonden. In je cel lees je deze brief nu, dit zijn mijn gedachten over onze geschiedenis.
Ik hoop dat het water daar zout is, je eten lauw of koud is, en je celmaat heel erg fout is.
En dat het er heel erg stinkt.
Ik ga in ieder geval een koud biertje drinken in de kroeg.
zaterdag 28 november 2009
maandag 16 november 2009
Duivelse Tarzan
Net als de meeste oudere mensen vraag ook ik mij af; waar gaat het heen met de jeugd, wat gebeurt er met de wereld? Misschien dat op een dag, als de wereld een stukje fatsoenlijker is geworden, mensen dit verhaal lezen en er van leren. Wat mijn familie is overkomen is meer dan een vloek van god, en ik kan niet anders dan vermoeid toekijken hoe mijn eeuwig leven straks, over niet al te lange tijd, voortgezet zal worden in een zee van vlammen. Toch zal de eeuwige verbranding minder pijn doen dan de schaamte waaronder ik in dit leven gebukt ga.
Ik zit in de bovenkamer, in mijn torentje, het fijnste plekje van de wereld waar ik op een oude typmachine mijn verhaal ga doen. Ik wordt hier niet verstoord, ik heb simpelweg geen telefoon en mijn man komt nooit meer boven. Het is rustig en als ik uit het raam kijk zie ik enkel gras, bomen en vogels. Het gevoel dat mij overspoeld als ik hier zit is intens, ik kan vergeven, voelen en denken met de wijsheid van mijn voorouders. De vraag of dit mijn lot is of enkel het resultaat van slechte keuzen stel ik mijzelf al lang niet meer. Toch denk ik vaak terug aan de dag dat ik hem voor het eerst tegenkwam. Ik hielp mijn moeder met het uitdelen van kleding bij het rode kruis, ik was jong, misschien een jaar of 14. We werden verliefd en waren een lange tijd gelukkig. Toen we, we hadden al bijna opgegeven, toch een kindje kregen. Ons geluk kon niet op, maar dat was van korte duur. Mijn lieve Berend kreeg op het werk een auto op zijn benen, deze viel van een krik. Het was een stom ongeluk waarna hij zonder benen verder het leven doormoest. Dat uitgerekend zijn enige dochter met een automonteur moest trouwen, daar is hij nooit overheen gekomen.
Wel een vriendelijke man verder hoor, die Cor, af en toe mag ik een keertje met hem mee, de ruimte in. We vliegen door de duisternis en kijken van een afstand naar de aarde. We filosoferen over het leven en proberen het te bevatten en ook van ons af te schudden. Maar hoe snel we ook door de ruimte sjeesen en hoe klein en begrijpelijk de wereld er ook uitziet, er veranderd niets. Behalve misschien dat ik mijn haar een week niet hoef te föhnen.
Het waren geen beste genen om met die van mijn familie te mengen. Maar dat wisten we toen nog niet, het leek in het begin niet slecht. Cor’s moeder, Trijntje, zet zich in voor de lokale bieb, een nobel streven. Ik weet dat ze erg gebukt gaat onder haar Man, Gerrid. Letterlijk en figuurlijk heeft Trijntje mij wel eens verteld. Al geeft Gerrid zijn leven voor het geloof, ik krijg de kriebels van hem. Vandaar ook dat hun andere zoon Jos zo’n vreemde vogel is geworden. Zelfs zijn hond is een vreemde vogel en heet Havik. Geen vrouw wil hem, zijn geur doet iedereen walgen. Het gaat de robotfetisj van zijn moeder te boven.
Dit alles zou nog niet zo erg zijn als het geen overduidelijke rol had gespeeld in mijn eigen stamboom.
Mijn kleinkinderen zijn duivels.
De oudste, AnneRoos, is een schande voor de mensheid. Hoe ze erbij loopt in haar minirokjes en naar Jan en alleman loopt te lonken. Ze kan het respect niet eens opbrengen om mijn oude buurman met rust te laten. Op mijn verjaardag vorig jaar ging ze bij iedereen op schoot zitten, het was werkelijk ongehoord.
De jongste in nog erger, Arend Jan, een misbaksel, een straf van god.
Mijn arme dochter, ze heeft altijd haar best gedaan en nu is ze vervloekt met die kinderen. Ze heeft er zelf ook een tik aan overgehouden denk ik. Toen ik een keer door haar spullen zat te neuzen kwam ik allemaal tuigjes tegen. Ik dacht eerst nog dat het voor een dier was. Een hondenriem ofzo. Toen ik haar vroeg of dit zo was grinnikte ze en zei ‘zoiets ja’. Toen begreep ik het, ik ben de enige in deze familie die een beetje normaal is gebleven.
De vraag is nu of ik me bij mijn lot neerleg. Of ik nu afwacht tot ik zal sterven en zal branden in de hel voor het nageslacht dat ik heb geleverd. Als ik toch zal branden kan ik misschien nog iets uitproberen heb ik bedacht. In mijn torentje ben ik alleen met god en mijn nieuwe beste vriend. Als hij begint te vibreren weet ik zeker dat de duivel bezit van me heeft genomen. Lang voordat ik hem bestelde uit de Wehkamp. Mijn Tarzan.
Ik zit in de bovenkamer, in mijn torentje, het fijnste plekje van de wereld waar ik op een oude typmachine mijn verhaal ga doen. Ik wordt hier niet verstoord, ik heb simpelweg geen telefoon en mijn man komt nooit meer boven. Het is rustig en als ik uit het raam kijk zie ik enkel gras, bomen en vogels. Het gevoel dat mij overspoeld als ik hier zit is intens, ik kan vergeven, voelen en denken met de wijsheid van mijn voorouders. De vraag of dit mijn lot is of enkel het resultaat van slechte keuzen stel ik mijzelf al lang niet meer. Toch denk ik vaak terug aan de dag dat ik hem voor het eerst tegenkwam. Ik hielp mijn moeder met het uitdelen van kleding bij het rode kruis, ik was jong, misschien een jaar of 14. We werden verliefd en waren een lange tijd gelukkig. Toen we, we hadden al bijna opgegeven, toch een kindje kregen. Ons geluk kon niet op, maar dat was van korte duur. Mijn lieve Berend kreeg op het werk een auto op zijn benen, deze viel van een krik. Het was een stom ongeluk waarna hij zonder benen verder het leven doormoest. Dat uitgerekend zijn enige dochter met een automonteur moest trouwen, daar is hij nooit overheen gekomen.
Wel een vriendelijke man verder hoor, die Cor, af en toe mag ik een keertje met hem mee, de ruimte in. We vliegen door de duisternis en kijken van een afstand naar de aarde. We filosoferen over het leven en proberen het te bevatten en ook van ons af te schudden. Maar hoe snel we ook door de ruimte sjeesen en hoe klein en begrijpelijk de wereld er ook uitziet, er veranderd niets. Behalve misschien dat ik mijn haar een week niet hoef te föhnen.
Het waren geen beste genen om met die van mijn familie te mengen. Maar dat wisten we toen nog niet, het leek in het begin niet slecht. Cor’s moeder, Trijntje, zet zich in voor de lokale bieb, een nobel streven. Ik weet dat ze erg gebukt gaat onder haar Man, Gerrid. Letterlijk en figuurlijk heeft Trijntje mij wel eens verteld. Al geeft Gerrid zijn leven voor het geloof, ik krijg de kriebels van hem. Vandaar ook dat hun andere zoon Jos zo’n vreemde vogel is geworden. Zelfs zijn hond is een vreemde vogel en heet Havik. Geen vrouw wil hem, zijn geur doet iedereen walgen. Het gaat de robotfetisj van zijn moeder te boven.
Dit alles zou nog niet zo erg zijn als het geen overduidelijke rol had gespeeld in mijn eigen stamboom.
Mijn kleinkinderen zijn duivels.
De oudste, AnneRoos, is een schande voor de mensheid. Hoe ze erbij loopt in haar minirokjes en naar Jan en alleman loopt te lonken. Ze kan het respect niet eens opbrengen om mijn oude buurman met rust te laten. Op mijn verjaardag vorig jaar ging ze bij iedereen op schoot zitten, het was werkelijk ongehoord.
De jongste in nog erger, Arend Jan, een misbaksel, een straf van god.
Mijn arme dochter, ze heeft altijd haar best gedaan en nu is ze vervloekt met die kinderen. Ze heeft er zelf ook een tik aan overgehouden denk ik. Toen ik een keer door haar spullen zat te neuzen kwam ik allemaal tuigjes tegen. Ik dacht eerst nog dat het voor een dier was. Een hondenriem ofzo. Toen ik haar vroeg of dit zo was grinnikte ze en zei ‘zoiets ja’. Toen begreep ik het, ik ben de enige in deze familie die een beetje normaal is gebleven.
De vraag is nu of ik me bij mijn lot neerleg. Of ik nu afwacht tot ik zal sterven en zal branden in de hel voor het nageslacht dat ik heb geleverd. Als ik toch zal branden kan ik misschien nog iets uitproberen heb ik bedacht. In mijn torentje ben ik alleen met god en mijn nieuwe beste vriend. Als hij begint te vibreren weet ik zeker dat de duivel bezit van me heeft genomen. Lang voordat ik hem bestelde uit de Wehkamp. Mijn Tarzan.
Abonneren op:
Reacties (Atom)